06/05/2026
Hornhuizen - Doornbos-orgel
Naast de grote projecten als Arnhem en Tholen zijn er ook een aantal kleinere projecten uitgevoerd. Eén van deze werkzaamheden betreft de restauratie van het Doornbos-orgel van Hornhuizen. Voor de geïnteresseerden volgt hier een verslag van de geschiedenis van het orgel en de uitgevoerde restauratie.
De geschiedenis van het instrument is tamelijk turbulent. Het orgel is mogelijk begonnen als een tweeklaviers kabinetorgel halverwege de 18e eeuw. Nadat het in Delft en Amsterdam gestaan heeft werd het in 1833 in Hornhuizen geplaatst. In 1851 werd het door Van Oeckelen tot kerkorgel verbouwd, wat dit precies inhield is onduidelijk. In 1900 werd door Jan Doornbos het orgel in twee delen opgesplitst, de ene helft werd als zelfstandig orgel in de Doopsgezinde Kerk van Noordhorn geplaatst, materiaal van de andere helft werd gebruikt voor een nieuw eenklaviersorgel in Hornhuizen.
Duidelijk is, dat de handklavieren van Hornhuizen en Noordhorn ooit één geheel gevormd hebben. Het pijpwerk werd over beide instrumenten verdeeld, aangevuld met materiaal dat Doornbos liet maken of in voorraad had. Voor beide kerken werden nieuwe orgelkassen en windvoorzieningen vervaardigd, in Hornhuizen werd het orgel voorzien van een mechanische kegellade.
In de jaren ‘50 constateerde de Orgelcommissie van de Nederlands Hervormde Kerk dat het orgel praktisch onbruikbaar was en dat restauratie niet zou opwegen tegen vernieuwing. Toch werd besloten om de nog bruikbare materialen opnieuw in te zetten. De orgelbouwer Vierdag maakte in 1960 een nieuwe sleeplade, tractuur en windvoorziening en voorzag het orgel van een Mixtuur in plaats van de Viola di Gamba van Doornbos.
De conditie van het orgel ging in de loop der tijd achteruit en het was al jarenlang vrijwel onbespeelbaar geworden. Het was tijd voor een restauratieplan. Het uitgangspunt voor de restauratie was de situatie Doornbos. In overleg met de Stichting Oude Groninger Kerken is besloten de geschiedenis van het orgel zo veel mogelijk zichtbaar en navolgbaar te laten zijn en gebruikssporen zeker niet weg te poetsen. Later toegevoegd materiaal dat de situatie Doornbos absoluut in de weg stond diende vervangen te worden door beter in de stijl passende constructies. Wat hier zeker onder viel waren de neobarokke windvoorziening en veel te kleine windlade, waarop onevenredig veel pijpwerk met een slangenkuil aan flex-slang afgevoerd moest worden.
Als voorbeeld werden de kegellade en balg, die Doornbos maakte voor de kerk van Den Ham, genomen. Nadere bestudering van de situatie in Den Ham maakte duidelijk dat niet alle Doornbos-constructies even doeltreffend en degelijk waren en besloten werd de zwakke eigenschappen niet over te nemen maar subtiel te verbeteren voor de situatie in Hornhuizen.
De restauratie van het pijpwerk vormde een grote uitdaging. Het bestand was zeer uiteenlopend van makelij, mensuur en conditie en vergde intensief herstel. Het is eigenlijk onnavolgbaar met welke overwegingen tot de samenstelling van deze pi**enrijen gekomen is in 1900, maar daarom wel zo curieus dat we het met het grootste plezier gerespecteerd hebben om dit voor het nageslacht intact te laten. Een mooie Viola di Gamba van P.J. Vermeulen uit 1904, die 56 jaar in opslag gelegen heeft op de zolders van het bedrijf vervangt nu de Mixtuur van Vierdag.