30/09/2026
Een goede darmdiversiteit betekent niet automatisch dat je darmmicrobioom optimaal functioneert.
Ook deze cliënt meldde zich naar aanleiding van mijn oproep voor deelname aan de intervisiegroep.
Na de intake kozen we voor een microbioomonderzoek. En daar kwam een interessante tegenstelling uit:
Diversiteit: goed (6,29)
Dysbiose-index: 17
Als je alleen naar de diversiteit kijkt, mis je dus een belangrijk deel van het verhaal.
Wat valt verder op?
1. Beschermende bacteriën zijn laag
Bifidobacteriën zijn sterk verlaagd. Ook Lactobacillen en Enterococcen zijn laag.
2. Butyraatproducenten zijn verminderd
Onder andere F. prausnitzii, E. rectale en Roseburia zijn laag. Deze bacteriën helpen voedingsvezels omzetten in butyraat: een belangrijke brandstof voor de cellen van de dikke darm.
3. Het darmslijmvlies vraagt aandacht
De mucineproductie en slijmvliesondersteunende flora zijn verminderd.
4. H₂S-, fenol- en TMA-vormende activiteit is verhoogd
Hier kijken we niet naar wélke bacteriën er zijn, maar naar wat ze doen. Dat geeft aanleiding om kritisch te kijken naar de verhouding tussen dierlijke eiwitten, plantaardige voeding en vezels.
5. E. coli is verhoogd
Maar E. coli is niet automatisch een ‘slechte’ bacterie. Het gaat om de hoeveelheid én de balans binnen het totale darmecosysteem.
De aanpak is daarom niet simpelweg: welke bacteriën moeten weg?
Maar:
→ Welke bacteriën willen we voeden?
→ Hoe ondersteunen we de butyraatproductie?
→ Hoe verbeteren we het darmmilieu?
In deze casus betekent dat onder andere meer variatie in plantaardige voeding, prebiotische vezels rustig opbouwen, resistent zetmeel toevoegen en minder nadruk op grote hoeveelheden vlees, eieren, suiker en ultrabewerkte voeding.
Voeden → herstellen → stabiliseren.
Een microbioomonderzoek gaat dus niet alleen over wie er in je darmen wonen, maar vooral ook over wat ze daar doen.